Jorg
Jorg Nieuws 19 november 2013

Opinie: De ironische wereldvreemdheid van de Google-adept

“Apple verbiedt Foxconn de productie van de PlayStation 4, zolang dat bedrijf ook de iPhone produceert”.

Relax. Deze absurde bewering is natuurlijk niet waar. En gelukkig maar. Probeer je eens voor te stellen wat de reacties in de media zouden zijn als Apple dit soort zaken zou afdwingen. Om het nog maar niet te hebben over de juridische anti-trust onderzoeken die ongetwijfeld het gevolg zouden zijn.

Toch is dit precies wat Google eist van de fabrikanten van Android-telefoons en -tablets.

Google dicteert producten
Het besturingssysteem iOS dat draait op de iPhone en iPad (en ook OS X op de Mac) is gebaseerd op het open-source OS FreeBSD. Apple heeft het systeem als basis gebruikt voor zijn besturingssystemen, en bouwde er vervolgens een groot aantal eigen componenten omheen voor gebruik op de eigen producten. Maar in de basis blijft BSD open-source, en veel van de verbeteringen die Apple aanbrengt worden, afhankelijk van het exacte licentie-type, ook weer als open-source door Apple beschikbaar gesteld. Niemand is de eigenaar van het open-source BSD-project, wat inhoudt dat ook andere fabrikanten het kunnen gebruiken in hun producten. Een voorbeeld daarvan is het besturingssysteem van de PlayStation 4, dat ook is gebaseerd op een BSD-fundering.

De iPhone en iPad worden in dezelfde fabrieken van het Chinese Foxconn geproduceerd als de PlayStation. Apple zou niet kunnen afdwingen dat Foxconn de Playstation niet langer mag produceren. Welke andere klanten deze contract-manufacturer heeft gaat Apple niets aan, en het feit dat beide systemen op hetzelfde open-source besturingssysteem zijn gebouwd doet daar natuurlijk niets aan af.

Toch is dit precies wat Google doet. Een bedrijf dat “Google-gecertificeerde” Android-tablets maakt wordt door Google verboden om ook andere producten op basis van Android te produceren. De Amazon Kindle Fire-tablet bijvoorbeeld, die eveneens gebaseed is op Android, wordt om die reden geproduceerd door computerfabrikant Quanta Computer. Want voor de productie door bedrijven als Samsung, HTC of Sony steekt Google een stokje.

A tale of two Androids
Hoe kan dit? Om dit te begrijpen is het goed om te beseffen dat het woord Android in de praktijk gebruik wordt om twee heel verschillende zaken aan te duiden. Aan de ene kant is er het open-source Android-project, het kale besturingssysteem dat voornamelijk bestaat uit de kernel van het systeem en een minimale set API’s en een aantal basale stock-applicaties. Aan de andere kant zijn er de Android-telefoons en -tablets met daarop de Google Play Store, Google Maps, de YouTube-player, een GMail-app, Google+ integratie en een uitgebreide set API’s die het ontwikkelaars gemakkelijk maakt om bijvoorbeeld kaarten in hun apps op te nemen.

Op het moment dat een fabrikant van een Android-product één of meerdere van bovenstaande diensten of apps wil opnemen in zijn product, wordt het door Google gedwongen een (betaalde) licentie op alle onderdelen af te nemen. Het is niet mogelijk om bijvoorbeeld alleen de YouTube-player of Gmail-app te gebruiken. Maar bovendien verkoopt de fabrikant van een dergelijk Android-toestel op dat moment zijn ziel aan Google, want het bedrijf legt de fabrikant vervolgens een hele rits voorwaarden op, zoals het verbod om andere Android-producten te maken die niet aan Google’s eisen voldoen. Maar dat niet alleen.

“Open” is rekbaar begrip
Zo mag de toestelfabrikant geen afwijkende API’s gebruiken voor locatievoorzieningen dan de API’s die door Google beschikbaar worden gesteld. Het Android-toestel moet een “compatibiliteitstest” ondergaan, en krijgt van Google simpelweg het predicaat incompatible. De reden hiervoor laat zich gemakkelijk raden: het business-model van Google is gebaseerd op het vergaren van zoveel mogelijk gegevens van de gebruiker teneinde een uitgebreid profiel op te stellen dat gebruikt kan worden voor advertenties, en de kostbare locatiegegevens zouden hiermee aan de neus van Google voorbij gaan.

Fabrikanten hebben nauwelijks de keuze om hun Android-telefoons niet te voorzien van de Google-software (zelfs al zouden zij voor alle -of de meeste- apps een eigen alternatief ontwikkelen), omdat dan zoals gezegd de API’s die inhaken op Google-diensten als Google Maps ook niet langer beschikbaar worden gesteld. Alle apps die middels deze gesloten “Google Play Services API’s” werken zouden niet langer functioneren. En je kunt nauwelijks verwachten dat bouwers van apps, die op het platform toch al aanlopen tegen een ongekend grote fragmentatie in apparaattypes en OS-versies, ook nog eens rekening zouden moeten houden met welke API’s op een specifiek apparaat beschikbaar zijn.

Android is dus niet altijd Android. En “open” is, zoals we hierboven zien, een héél rekbaar begrip.

Politiek correct?
Nu heb ik persoonlijk helemaal geen moeite met gesloten systemen. Als Apple-gebruiker pluk ik van de sterke integratie van hardware, software, applicaties en online diensten waar Apple een ijzeren grip op uitoefent dagelijks de vruchten. Wat mij echter stoort is het gegeven dat Google zich in alle marketingpraatjes laat voorstaan op het “open” karakter van Android, en dat dit door de meeste media gretig wordt omarmt als een gegeven. En belangrijker nog: veel aanhangers van Google-producten in het algemeen, en Android in het bijzonder, gebruiken het als belangrijkste wapenfeit om zich tegen Apple en Apple-gebruikers af te zetten.

Er zijn voldoende legitieme redenen aan te dragen waarom ik -en velen met mij- een warme voorliefde koesteren voor de producten van Apple. Toch krijgen deze liefhebbers van Apple-producten met grote regelmaat een verwijt naar het hoofd geslingerd, waarmee de criticus er zich in één klap mee van af denkt te kunnen maken: de Apple-liefhebber is weer zo’n “fanboy”. Hij of zij heeft zich in de luren laten leggen door opgeklopte hype en is geïndoctrineerd door de slinkse marketing-praatjes. Ongeacht de (vaak zeer rationele) argumenten die de Apple-gebruiker aandraagt om zijn keuze voor de producten te verklaren, de Apple-liefhebber is een “fanboy”, en daarmee is de discussie gesloten.

Het deed me denken aan een column van Bart Smout die ik onlangs las in de Volkskrant, waarin hij beweert dat het toedienen van de kwalificatie “politiek correct” vaak volstaat om iemand in een discussie monddood te maken. Strookt de mening niet met die van de criticus, dan is zijn tegenpartij “politiek correct” en hoeft daarom niet langer serieus te worden genomen. Inhoudelijke argumenten waarom men het niet met de opvattingen van de ander eens is zijn in dat geval plotseling niet meer nodig. Exact hetzelfde principe komen we tegen bij de Apple-gebruiker die uitlegt waar zijn voorkeuren vandaan komen. Hij is een “fanboy”, en daarmee is de kous af.

“Don’t be evil” marketing
Ironisch genoeg gebeurt in het “Google-kamp” precies datgene waar veel Android-gebruikers de Apple-liefhebber van beschuldigen: zij kopiëren klakkeloos de marketing-speak van Google. Een en ander wordt helemaal vreemd wanneer je je realiseert dat diezelfde mensen vaak ook een groot aantal andere principes van openheid, veiligheid en privacy koesteren, allemaal zaken waarop Google zich graag laat voorstaan in de bedrijfscommunicatie. Nog steeds hanteert het bedrijf het “Don’t be evil“-mantra, maar het laat er zich nauwelijks iets aan gelegen liggen om dit in de praktijk te brengen.

Het bedrijfsmodel van Google is in beginsel gebaseerd op het verkopen van advertenties. Daartoe brengt het een aantal diensten op de markt die middels dit model gefinanciëerd worden, en producten als de Chrome-browser en het Android-besturingssytsteem zijn in het leven geroepen om deze diensten zo efficiënt mogelijk onder de ogen van de klanten te brengen. Maar de waardes openheid, veiligheid en privacy worden daarbij lang niet altijd hoog in het vaandel gedragen.

Veiligheid
Zo valt er op de veiligheid van Android heel wat af te dingen. Cijfers tonen aan dat ruim driekwart van de malware op mobiele apparaten voor rekening komt van Android, terwijl schadelijke software op iOS nagenoeg afwezig is.

De voornaamste reden hiervoor kunnen we herleiden tot het aantal Android-versies dat in omloop is. Android wordt beschikbaar gesteld aan fabrikanten van telefoons en tablets, die er vervolgens hun eigen “laagje” omheen bouwen om hun producten enigszins te kunnen differentiëren van die van de concurrenten, en ook de telecom-providers maken vervolgens nog een groot aantal aanpassingen en eigen apps voor de toestellen, alvorens deze bij de eindgebruikers terecht komen. Dit alles kost natuurlijk tijd.

Geen enkel besturingssysteem is natuurlijk vrij van fouten of “lekken”, en problemen kunnen in een software-update vaak worden opgelost. Maar het distributiemodel van Android zorgt er wel voor dat het vaak lang duurt voordat opeenvolgende OS-versies in de handen van de telefoon- en tablet-bezitters terecht komen.

Geen belang bij updates
Áls dat al gebeurt. Want heel vaak zien we dat Android-updates helemaal niet uitgebracht worden voor oudere toestellen. Het business-model van de Android-fabrikanten is hier debet aan. Waar Apple de enige fabrikant is van iOS-toestellen, en het bedrijf er belang bij heeft om gebruikers binnen het eco-systeem te behouden (waar zij immers geld spenderen aan apps in de App Store, muziek en films in de iTunes Store en boeken in de iBooks Store), verdient de Android-fabrikant alleen aan de verkoop van het toestel. Bovendien bestaat de kans dat de Android-klant, mocht deze voor een volgend toestel weer een Android-model ambiëren, eenvoudigweg naar een van de vele Android-concurrenten overstapt. Deze fabrikanten is er dus veel aan gelegen om vaak een veel nieuwe toestellen op de markt te brengen (meer megahertzen! meer pixels! meer cores! grotere schermen!), teneinde de consument te verleiden tot een nieuwe aanschaf.

Het spenderen van bedrijfs-resources aan het up-to-date houden van de software van alle bestaande toestellen weegt simpelweg niet op tegen de kosten. Ze hebben er -behoudens wat goodwill- niets bij te winnen. Zelfs de Android “vendor-lock-in” in de vorm van aangeschafte apps en andere Android-specifieke content vormt, zoals gezegd, geen garantie dat de klant trouw blijft aan het merk.

Open voor fake
Daarnaast vormen de policy’s die Google aan de dag legt om Android nog enigszins het karater van een “open systeem” te doen geven, ook nog een factor die niet bijdraagt aan de beperkte veiligheid van het systeem. Apple ziet nauw toe op de kwaliteit en het functioneren van de apps die het aanbiedt in de App Store. Enerzijds om een consistente en pijnloze gebruikerservaring te bieden, maar vooral om mogelijk misbruik van apps tegen te gaan.

Zo heeft de afwezigheid van een strict curatie-beleid in de Google Play Store ertoe kunnen leiden dat er grote hoeveelheden “fake” apps aanwezig zijn: apps die op het eerste gezicht lijken op een bekende app, maar die in werkelijkheid een aftreksel zijn van populaire titels en soms zeer dubieuze doelstellingen hebben, zoals het vergaren en doorsluizen van gebruikersgegevens. En nee: op een iOS apparaat kun je geen alternatieve toetsenbord-apps installeren, maar daarmee voorkomt Apple dan ook het risico dat alle toetsaanslagen (inclusief die van gebruikersnamen en wachtwoorden) door een malafide software-maker worden ondervangen. Natuurlijk worden dergelijke malware-apps vaak na enige tijd weer uit de Play Store verwijderd, maar het kwaad kan dan al zijn geschied.

Privacy
Google is een advertentiebedrijf. Het verdient geld met het profileren van gebruikers om hen gericht te kunnen voorzien van advertenties. De bedrijfsstrategie verschilt fundamenteel met die van Apple. Laatstgenoemde verkoopt hardware, en bouwt in het kielzog daarvan besturingssystemen, applicaties en diensten die specifiek en exclusief voor deze apparatuur worden ontwikkeld. Al zou je kunnen beweren dat het ook voor Apple handig is om om marketing-technische redenenen een beeld te hebben van zijn gebruikers en hun wensen, toch is het voor Apple niet van belang om gedetailleerde profielen aan te leggen van alle klanten om ze vervolgens te bestoken met advertenties van derde partijen.

Het verbaast me altijd bijzonder dat bovengenoemde fanatieke Google-aanhangers zich met grote regelmaat fel afzetten tegen Facebook, en elke wijziging in het privacy-beleid van het sociale netwerk breed uitmeten (bij voorkeur óp Facebook zelf). Opmerkelijk, omdat het toch nog altijd zo is dat gebruikers van sociale netwerken op deze platforms toch aanzienlijk minder gevoelige informatie met elkaar delen dan via e-mail. Toch wordt er over het onderbrengen van deze meest gevoelige bron van onderlinge communicatie bij een advertentiebedrijf -in de vorm van het gebruik van GMail- zelden of nooit gesproken.

Megaprofielen
En dat blijkt toch geen overbodige zorg. Het is al langer bekend dat het bedrijf de inhoud van de mailtjes scant om een beeld van de gebruiker te krijgen. Nu zou je kunnen zeggen dat een gebruiker van GMail er bewust voor kiest om met deze voorwaarden accoord te gaan, maar gaat dat ook op voor de niet-GMail gebruiker die zijn vriend met een GMail-adres een e-mail stuurt? Blijkbaar is ook hij namelijk onderworpen aan de praktijken van Google, iets wat recentelijk nog de inzet was van een rechtzaak.

Maar met name het redelijk recente besluit van Google om de gebruikersgegevens van álle diensten van het bedrijf te koppelen om zodoende nog doelgerichter gebruikers te kunnen profileren moet toch iets zijn wat de privacy-voorvechters tegen de borst stuit. Denk aan alle zoekopdrachten, agenda-afspraken, e-mail, kaartlocaties, en zelfs de comments op YouTube. Met deze schat aan informatie is een meer dan nauwgezet profiel van iemands levenswandel te construëren.

En ach, over het gebruik van jouw foto in advertenties die overal op het web kunnen opduiken zullen we het dan maar niet eens hebben.

Tja. Open.
Behalve als Microsoft een YouTube-player wil maken voor het concurrerende Windows Phone-platform. Dan wordt de YouTube-toegang gewoon geblokkeerd (“gebruik de website maar, dan kunnen we je gangen beter nagaan dan met een app waarover we geen controle hebben”). Behalve als je extensies in je Chrome-browser wil installeren die niet door de Google ballotage-commissie komen (“hallo, zo kunnen mensen net als in alle andere browsers bepaalde ad-blockers installeren, daar zitten we niet op te wachten”). Behalve als je zoekt op bekendheden en eerder naar hun (ongebruikte) Google+ pagina’s wordt geleid dan naar hun veel actievere Facebook- of Twitter-accounts (“dan pikken we tenminste nog een advertentie-graantje mee”).

Misschien kan voor Google-aanhangers een websearch op “hypocrisie” geen kwaad. Mag van mij ook met Bing.

Volg Jorg op Twitter: @JorgK

Reageer op artikel:
Opinie: De ironische wereldvreemdheid van de Google-adept
Sluiten