Column: De Campingphone

‘Een gouwe… Een gouwe… Ik mot en sal een gouwe…’

Het schrille, wat nasale en bovenal goed doorrookte stemgeluid doorboorde de Duitse nacht en echode nog wat na tegen de winkelgevels. Het was weer ouderwets gezellig, in de wachtrij voor de Apple Store te Oberhausen: de dronken Russen waren nog maar juist vertrokken om elders amok te gaan maken – en nu dit weer. Nu ja… Negeren maar en het volume van de iPod een weinig omhoog geschroefd. Je moest er tenslotte wat voor over hebben om als allereerste de allernieuwste neven het demi-flacide geslacht in de broekzak te kunnen vlijen…

Het was weer het bekende gelikte feestje geweest, daar in Cupertino: de wat lijzige Cook voor de cijfers en de grote lijnen, een okselfrisse Federighi voor de software en good old Schiller die met zijn innovatieve aars de hardware mocht aanprijzen. Met na afloop bovendien een noviteit: Federighi maakte, met Jony Ive als dansende beer aan de ketting in zijn kielzog, een bescheiden rondje langs zorgvuldig geselecteerde pers voor een aantal diepteinterviews.

Het had iets potsierlijks: Ive die in plechtstatig parlando mocht orakelen over hoe goed ontwerp de essentie van de dingen raakt, terwijl Federighi de nieuwe ‘designed together’ mantra afdraaide. Nu ontwerp je met één man aan het hoofd voor hard- en software natuurlijk al snel tegelijkertijd, maar toch: volgens beide heren was er hier wel degelijk sprake van een Groot Goed, met dubbel kapitaal G.

Wie iets verder keek, was het echter al snel duidelijk dat het in het Apple van vandaag de dag niet Ive, Federighi of Cook waren die aan de touwtjes trokken, maar dat zich de afgelopen maanden een stille revolutie voltrokken moest hebben met maar één echte winnaar: Phil Schiller, Mr. Marketing in zijn hoogst eigen, royaal geproportioneerde verschijning.

Onder Jobs (all hail Steve!) was het leven eenvoudig geweest: er was een zwarte – en heel soms, als het productietechnisch niet al te zeer tegenzat, een witte. Met de kleine iPodjes werd zo nu en dan wel eens wat gerommeld met een olijk verfje, maar daar bleef het wel bij. Nu het veelkleurige ejaculaat van Schiller echter niet langer door de Goddelijke Asceet werd afgedamd, stroomde het voluit en glorierijk de verkoopkanalen in.

Werd de markt eerst nog voorzichtig afgetast met de iPod touch, nu leek het hek van de dam en schonk Schiller vol trots de oude wijn van de iPhone 5 in glanzend nieuwe plastic zakken, verkrijgbaar in – jawel! – vijf verschillende kleurtjes. Designed together? Het was was eerder alsof Schiller hoogstpersoonlijk zijn Photoshop-pipetje op vijf willekeurige plaatsen uit de nieuwe iOS7 iconen had volgezogen en vlak voor het polycarbonaat de spuitmal in liep weer had leeggeknepen.

De zaal had uit zijn hand gegeten, maar zijn pièce de résistance had hij tot het laatst bewaard: de iPhone 5S. Sneller, beter en veiliger dan ooit tevoren, maar bovenal: leverbaar in… goud. De sluwe oude vos.

De voorheen op maat bediende klantdemografie (zwart voor de jongetjes, wit voor de meisjes en een frivole omkering bij de andersneukenden) werd in één klap opgeschud, waardoor miljoenen potentiële kopers zich geconfronteerd zagen met de vraag: zo’n gouden iPhone, is die voor mij? Een zorgvuldig georchestreerd tekort op de goudmarkt maakte de verwarring compleet. Een meesterzet: als straks de early adopters netjes zijn voorzien van een ruimtegrijze of witzilveren iPhone, wordt de markt overstroomd met gouden toestellen.

En dan zit hij daar: Albert Verlinde, die voor het oog der natie zijn vinger (waarvan enkel God weet waar die allemaal is geweest) trillend van opwinding op de goudomrande afdruklezer legt. Estelle Gullit, die op een societyterras gezeten heur bevallige handje met een vinnige polsbeweging tussen de twee bonsaihondjes in haar Louis Vuitton door manoevreert, teneinde de foto van een douchende Badr nog eens ostentatief van nabij te bekijken. En natuurlijk Frans Bauer, die het bepaald niet ontgaan is dat de uiterlijke esthetiek van de witgouden iPhone nog het meest overeenstemt met de interieurinrichting van een huis dat op wielen woont.

Zo slaagt Apple er dankzij het meesterbrein van Schiller in om uiteindelijk de doelgroep te bereiken met het grootste groeipotentieel: de kijker van de Campingzender.

In de rij werden bonnetjes uitgedeeld, die recht gaven op aanschaf van een iPhone zoals omschreven. Na nog geen acht meter waren de gouden tickets op. ‘Ik wou een gouwe…’, weerklonk het gesmoord, ergens ver van achter.

Aan een bureau in Cupertino zuchtte Phil Schiller nog eenmaal diep en vouwde tevreden de handen over zijn verheven navel.

‘De tijd heelt alle wonden, Steve… De tijd heelt alle wonden.’

Reageer op artikel:
Column: De Campingphone
Sluiten